Vogel in nood!
Bel met uw plaatselijke
Dierenambulance

Gooi en vechtstreek
035-6830300

Almere
088-8113340

Lelystad
06-36293327

Landelijk alarmnummer
144
OPENINGSTIJDEN

1 augustus - 31 maart
Maandag - zondag
10.00 - 16.00

1 april - 31 juli
Maandag - zondag
10.00 - 16.00
19.00 - 21.00
VOGELHOSPITAAL

Burg. J. Visserlaan 1
1411 BR Naarden
Tel. 035 - 6 945 658

E-mail adres:
info@vogelasiel.nl

Jonge vogels

Jonge vogels vragen veel verzorging

April is voor de meeste inheemse vogels het moment om te beginnen met de nestbouw en te starten met broeden.

Natuurlijk zijn er vogels die dan al lang jongen hebben.
De bosuil, de wilde eend en diverse duitensoorten beginnen vaak al erg vroeg in het jaar.
Zwaluwen bijvoorbeeld beginnen een stuk later.
Vaak heeft de start van broeden met het voedselaanbod voor de jongen te maken.
Bijna alle jonge vogels worden door hun ouders met eiwitrijk voedsel grootgebracht.
Veel zangvogels die eigenlijk zaden eten voeren hun jongen toch alleen insecten, omdat die makkelijk te verteren zijn en veel eiwitten bevatten.
Van sommige soorten verlaten de jongen al voordat zij vliegen kunnen het nest.
Zij zijn vaak terug te vinden op lage takken of op de grond, waar ze worden gevoerd door hun ouders.
Erg behendig zijn ze dan nog niet. In de tijd dat ze het vliegen oefenen zijn ze erg kwetsbaar. Katten, honden, ramen, auto’s en baldadige jeugd zijn een aantal gevaren waar ze mee te maken krijgen.

COUVEUSEVOGELS
Jonge vogels verdelen we in het vogelhospitaal in drie categorieën.
Kale nestjongen, bevederde nestjongen en bevederde nestverladers.
De eerste groep houden we in couveuses met een temperatuur tussen de 38°C en 39°C.
Kale nestjongen reageren op het geluid van het landen van ouders op het nest, door hun bekjes onmiddellijk open te doen.
Dit gedrag heet sperren.
Het is een reflex op een prikkel. Een -prikkel is een signaal en een reflex is de reactie daarop.
Deze reactie gebeurt volautomatisch.

Kale nestjongen voeren wij elk half uur, door eerst met een pincet te tikken, alsof een van de ouders op de rand op het -nest gaat zitten. Daarna stoppen we met de pincet met ronde punten een hapje gemalen runderhart in het geopende snaveltje.
Bij het benaderen maken we net als de ouders in de natuur soortgerichte geluiden, zodat de jonge vogels het geluid koppelen aan het krijgen van voer.
Zo kunnen we gebruik gaan maken van de geconditioneerde,reflex….de aangeleerde reflex ofwel reactie.

Gevederde nestjongen zijn wat oudere jongen die zichzelf al iets beter warm kunnen houden, dankzij hun veren en zij zitten dan ook in couveuses.
Zodra ze op deze leeftijd worden binnengebracht kijken we eerst of ze willen sperren bij onze soortgerichte geluidjes. Doen ze dit niet, dan voeren we de eerste keren onder lichte dwang met het geluid erbij, zodat zij dat gaan koppelen aan het krijgen van voedsel.

Daarna gaat het vanzelf goed.

Pas uitgevlogen jongen pakken vaak geen voedsel meer aan en reageren goed op bewegend voedsel zoals meelwormen de larven van meeltorren. Het eiwitrijke snelgroeivoedsel runderhart mengen we altijd met multivitaminen, glucose en kalk (Salvikal)

DONSJE

Jonge eenden, ganzen en zwanen komen eerst onder een warmtelamp en krijgen eendenkroos, onkruidzaad, universeelvoer, bruin brood en meelwormen te eten.

Veel door het verkeer verweesde jongen worden in bermen gevonden en door particulieren en dierenambulances bij ons vogelhospitaal gebracht.

Jonge ralachtigen als meerkoeten en waterhoentjes hebben net als jonge futen problemen met op het nest blijven als er snelle motorboten met enorme golven voorbij scheuren.
Pleziervaart komt steeds meer voor. Gezinnen worden opgesplitst en veel jongen belanden in het vogelhospitaal.
Jonge rallen eten het zelfde als jonge eenden.
Jonge futen eten vis en insecten en eens in de zoveel voermomenten krijgen ze een donsveertje om de maagwand te beschermen tegen de scherpe graten uit de vis.
Jonge vogels die visjes eten voeren we of met spiering of met jonge voorntjes. Er is veel vis nodig, want we hebben regelmatig viseters, in de kost.

IJsvogels, visdiefjes, jonge kokmeeuwen, reigers, ooievaars en aalscholvers hebben dit soort voedsel nodig. Deze dieren leren we altijd op levende vis te jagen voordat ze in vrijheid worden gesteld.

Aalscholvers zijn een verhaal apart. Veel pas uitgevlogen jonge aalscholvers hebben nog wat moeite met het vangen van voldoende vis en pakken dan de meest zwakke vissen. Deze vissen uit het IJsselmeer en de randmeren hebben vaak een worminfectie en zijn dus makkelijker te vangen. Aalscholvers krijgen ook last van deze darm- en bronchiewormen. De wormen kruipen door de darmwand heen en maken vanuit de bronchieën ook longweefsel stuk.
In de ontlasting en in hei braaksel ziet men dan ook vaak bloed, stukjes weefsel en een kluwen van wormen. Door de ontlasting te onderzoek op de aanwezigheid van wormeneieren, kunnen we erachter komen welke infecties actief zijn en hoe we deze moeten bestrijden. Uitwendig hebben jonge aalscholvers vaak veel luizen.

TAKKELINGEN

Er worden ook veel jonge roofvogels en uilen binnengebracht, die uit het nest geklommen zijn (uilen) of uit het nest gevallen zijn.
Veel zijn in de problemen geraakt door katten en honden en komen regelmatig gewond bij ons aan.

De jonge uilen zijn vaak takkelingen. Dat wil zeggen dat jonge uilen vrij vroeg uit het nest klauteren en verder op een lage tak of op de grond worden bijgevoerd, door de ouders.

De bij ons gebrachte jonge uilen zaten meestal op een zeer ongunstige plek langs wandelroutes of op hondenuidaatveldjes of zelfs in woonwijken op straat.
Na slecht weer (te warm, veel regen of storm) krijgen we vaak jonge valken, buizerds, haviken en sperwers binnen.
Ook parasieten als luizen, vlooien, teken en mijten, dwingen jonge roofvogels vaak het nest voortijdig te verlaten van de jeuk of pijn. Ze zien, er dan ook een stuk prettiger uit na behandeling in ons vogelhospitaal.

Het terugplaatsen in nesten is dus ook zeker niet altijd verstandig. Vaak is de verstoring groter dan het nut in gevallen van terugplaatsing.

Een jong dier valt nooit zomaar uit een nest.

SPECIALISTEN

Jonge vogels grootbrengen en klaarstomen voor het buitenbestaan is een vak apart.
Naast de algemene verzorging van volwassen vogels is medisch inzicht noodzakelijk.
Vogels hebben twee ouders, dus als men aan jongen begint moet men het ook kundig groot brengen.

Daarnaast is het nodig om jongen die kunnen vliegen eerst in een natuurlijk ingericht buitenverblijf te laten verwilderen, zodat ze uiteindelijk zelfstandig voedsel kunnen zoeken. In zo’n buitenverblijf worden de jongen eerst nog door hun vaste verzorgers bijgevoerd met de pincet op basis van de voor hun herkenbare spergeluiden.

Op een bepaald moment geven de jongen zelf aan geen verzorging meer nodig te hebben, vermijden alle contact en eten zelfstandig.
Zodra ze voldoende in staat zijn zich in de natuur te redden plaatsen we ze uit in gebieden waarin de overlevingskans zeer groot is.