Houtsnip
Het is weer zo ver. In het hoge noorden en de ver naar het oosten liggende broedgebieden is de winter met de vorst en sneeuw ingevallen. Grote aantallen vlogen voor de vorstgrens uit naar landen waar zij nog wel met hun lange snavel in de bodem naar voedsel kunnen peuren.
In het Vogelhospitaal was dat goed te merken. Soms werden er drie per week binnengebracht die ergens tegenaan waren gevlogen. Dit najaar kwamen er vooral gewonde houtsnippen uit Almere en Zeewolde.
Het zijn nachttrekkers, die tijdens hun vlucht nogal eens worden aangetrokken door verlichting en dan tegen transparante objecten vliegen of midden tussen de bebouwing in tuinen landen en er tegen glazen schermen en ruiten vliegen. Daarbij lopen zij soms een hersenschudding op, of een snavel- of oogbeschadiging. Een bekende ‘houtsnippenval’ is het verlichte belastingkantoor in Leeuwarden, waar zich jaarlijks velen houtsnippen te pletter vliegen tegen de ruiten.
In het Vogelhospitaal worden zij weer opgelapt in een speciaal als bos ingerichte ruimte. Tussen dood blad en houtsnippers gestrooide meelwormen worden als voedsel aangeboden. Na een verblijf van gemiddeld twee weken zijn houtsnippen meestal weer hersteld en kunnen ze ’s avonds ergens in een geschikt leefgebied worden losgelaten. Jaarlijks worden ongeveer vijftien houtsnippen opgevangen.
De houtsnip is een forse in bossen levende steltloper, die ongeveer de grootte heeft van een houtduif en een lange rechte snavel bezit. Een houtsnip die zich op de grond bevindt valt bijna niet op door zijn camouflage met bruine en beige banden. Zijn broedgebied strekt zich, behalve in het uiterste zuiden en noorden, over heel Europa uit tot ver in Rusland toe.
In Nederland broeden maximaal 3000 paren, die zich overwegend in bossen met een enigszins vochtige ondergrond en een dikke strooisellaag vestigen. De broedtijd loopt van maart tot in juli en in die tijd maken de mannetjes in de schemering baltsvluchten om hun territorium af te bakenen. Tijdens die vluchten maken zij knorrende geluiden en laten een schril “stjick” horen. Hun nest, waarin meestal vier eieren worden gelegd, maken zij op de bodem in een kuiltje van dood blad. Na ongeveer drie weken worden de jongen geboren.
Bij gevaar simuleert het vrouwtje verlammingsverschijnselen om de vijand weg te lokken. Ook komt het na verstoring wel voor dat een van de ouders met een jong tussen poten wegvliegt naar een rustiger plaats.
Het voedsel van de houtsnip bestaat overwegend uit insecten en wormen, die zij met hun lange snavel bemachtigen door in de grond te boren. Wanneer de gevoelige zenuwuiteinden een prooi bespeuren drukt het roterende vierkantsbeen in de kop aan de achterzijde tegen de boog van het jukbeen, waarop het uiteinde van de beweeglijke bovensnavel opengaat en er kan worden toegehapt.



